HET OPROER VAN DE BIESJAGER
(veldwachter: bies = boef) uit: Kerfstokjes van onze Voorouders, door H. Hietkamp Roelof Harts van der Veen nr 32, werd in 1779 voor het Hof van Friesland gedaagd.
Op 9 april werd er in Groninger Opeinde boelgoed gehouden in de boerderij van Hendrik Hendriks. Er waren naar schatting vijftig mensen aanwezig.Tijdens het boelgoed was er in de schuur een taptafel geplaatst. Jannes Jans Coops en zijn vrouw waren de tappers. Ze hadden bier, jenever en brandewijn te koop.Volgens hun verklaring waren ze naar het boelgoed gekomen met een kan gevuld met vier kroes jenever en een kan, gevuld met vijf en een half kroes brandewijn. Van de verkochte hoeveelheid jenever en brandewijn moest belasting betaald worden. Om de juiste hoeveelheid belasting te kunnen vaststellen moest door de pegelaars gemeten worden hoeveel er was verkocht.
Voor deze meting waren aanwezig, Hilberts Pots en Wijbe Pieter Land, wonende te Winschoten en Stroobos. Het waren 'Bedienden van de administratoren der gemene Landsmiddelen van de Provincie van Stad en Lande'. Pots werd ook wel 'Commies'genoemd. Land was de assistent van Pots. Opeinde lag in de gemeente Westerdeel-Langewolt. Voor de orde tijdens het boelgoed, moest zorg dragen Hendrik Gerrits Goenhoff, de plaatselijke biesjager (veldwachter). Hij was bewapend met een stok.(roede).
De pegelaars Pots en Land, namen hun taak serieus op en waren niet geweken van de taptafel. De hele dag zaten ze daar. Ze hadden al twee keer de hoeveelheid jenever en brandewijn gepegeld.Ondertussen was er ook een hoeveelheid drank door hen zelf geconsumeerd. Een getuige zei dat zij "met hun handelen en gedragingen genoegzaam toonden dat zij teveel hadden gebruikt". Na afloop van het boelgoed kwamen alle mensen naar de schuur. De deuren van de schuur waren gesloten, zodat het binnen vrij donker was. De tapperij draaide op volle toeren. De pegelaars achtten het nodig om nogmaals te pegelen. Ze vertrouwden de zaak niet meer. De tapper had, zoals vermeld, geen grote hoeveelheid drank meegenomen, maar de drank was nog steeds niet op. De pegelaars waren van mening dat er veel meer werd getapt, dan er aan drank was ingebracht. Dat kon natuurlijk niet.Er ontstond dan ook wrijving tussen de pegelaars en de tapper Coops. Coops zei tegen de pegelaar Land:"Wat je niet ziet hoef je ook niet te verantwoorden." Zo gemakkelijk vatte Land zijn taak niet op.
Tussen de tapper en de pegelaars vielen, over en weer, harde verwijten.Ook de zoon van de tapper, Hendrik Coops, deed aan de woordenwisseling mee. Hij zei tegen Land: "Dat pegelen zal je bitter opbreken." Doordat er aan de taptafel rumoer ontstond, wilden alle aanwezigen zien wat er aan de hand was. Er ontstond gedrang en de pegelaars raakten in paniek, omdat ze, naar hun mening, hun taak niet meer naar behoren konden uitvoeren.
Pots en Land riepen de hulp in van de biesjager, Groenhoff, die meteen te hulp snelde. Hij gooide de schuurdeuren open en kwam met de stok in de hand naar de taptafel toe. Daar begon hij in het wilde weg op de mensen in te slaan en sloeg wie hij maar raken kon. De mensen stoven uit elkaar door de schuur. Een ieder zocht om een heenkomen. Groenhoff, die kennelijk een waas voor de ogen had, bleef doorslaan tot een ieder de schuur had verlaten.
Na afloop bleek Pots, de pegelaar, een afgebroken kies te hebben. Wijbe Land had een schram over de wang en had diverse stokslagen gehad. Groenhoff beweerde dat hij ook klappen op zijn hoofd had gehad. Pots en Land waren zo bang geworden dat ze via de ramen naar buiten waren gevlucht.
Groenhoff, de biesjager, was van mening dat er twee hoofdverdachten waren: Roelof Harts, afkomstig uit Surhuizum en Hendrik Jannes Coops. De procureur-Generaal stelde later dat zij de aanvoerders en de belhamels van dit 'oproer' in Opeinde waren geweest.
Roelof was niet direct gearresteerd. De ordedienaars van het Gerecht van Westerdeel-Langewolt kwamen in de nacht van 13 op 14 april 1779 naar Opeinde. Zij wilden Roelof en Hendrik arresteren. Ze werden geconfronteerd met een grote groep inwoners van Opeinde, gewapend met stokken. De dienaars kregen klappen en konden hun werk niet uitvoeren, zodat ze zich terug trokken.
Roelof Harts meldde zich later vrijwillig bij het Gerecht van Westerdeel-Langewolt en werd meteen ingesloten. Roelof ontkende met klem dat hij de veroorzaker van die vechterij was geweest. Roelof was, zo verklaarde hij, samen met Joeke Jeens, die evenals hem 27 jaar oud was, met de sjees van Surhuizum naar het boelgoed in Opeinde gereden. Na afloop van het boelgoed waren ze naar de schuur gegaan, alwaar ze nog een 'soopje' wilden drinken. Het was druk in de schuur en op de dorsvloer. Er was geen stoel meer vrij, zodat ze achter in de schuur opeen dwarsbalk gingen zitten. Er ontstond rumoer in de omgeving van de taptafel en ze merkten dat de mensen opdrongen. Ze kwamen op een gegeven moment ook in onze richting en we kwamen in het gedrang van de mensen terecht.
Joeke Jeens zei dat Roelof klappen kreeg van Groenhoff. Roelof riep:"Vrienden ziet toe wie jemme slaan, wat heb jemme met mij van node." Joeke was Roelof daarna uit het oog verloren. Joeke was naar buiten gegaan en was begonnen met het inspannen van het paard voor de sjees. Hij had daarna nog om Roelof gezocht, maar kon hem niet vinden. Hij was toen alleen naar huis gereden.
Diverse getuigen beweerden dat Roelof Harts niet de aanvoerder van deze vechterij was geweest. Roelof was een grote en sterke jongeman van 27 jaar. Getuigen beweerden dat hij geen herbergloper was. Joeke Jeens verklaarde: "Ik ben met Roelof Harts opgegroeid. Ik ging met hem naar school en ging steeds met hem om. Het is een goedaardig mens en is bang voor ruzie. Zoiets zal hij eerder ontlopen. Hij is ook erg vreedzaam." Joekes vader zei van hem: "Het is maar gelukkig dat het een vreedzame en goede jongen is. Want anders zou hij veel kwaads kunnen uitvoeren."
De Procureur-Generaal daagde Roelof voor het Hof van Friesland. Roelof werd verweten dat hij Groenhoff had geslagen en dat door zijn toedoen het oproer in Opeinde was ontstaan. Roelof zou de 'auteur' van het oproer zijn geweest.
Het woord "oproer" zinde de verdediger niet en begon daarover een juridisch betoog, waarin hij o.a. zei: "Alle oproeren kunnen soms voor geen eigenlijke oproeren doorgaan, maar men moet daaromtrent tot onderscheijdinge van dien steeds in acht nemen of er schade door, en onder een menigte menschen veroorzaakt zijn zonder deszelve ten dien eijnde juist expres te hebben vergadert, dan niet."
Het betoog van de verdediger monde uit in de vaststelling dat er in Opeinde geen sprake was van een oproer, maar slecht sprake was van een samenkomst van mensen. Roelof kon, naar zijn mening niet verweten worden dat hij de auteur was van een oproer. Verder betoogde de verdediger dat Roelof niet begonnen was met vechten, maar de grootste boosdoener was de biesjager zelf, die, zonder enige reden, in het wilde weg had geslagen. Mogelijk had Roelof hem, uit verdediging, een klap gegeven, maar niet opzettelijk mishandeld. Roelof was toevalligerwijs in de massa terecht gekomen en had niet de mogelijkheid gehad om met een stok de beambten Groenhof en Land te slaan. Ten minst vier getuigen beweerden dat Roelof onschuldig was aan de vechterij.
Land, de pegelaar, beklaagde zich er over dat hem het pegelboek uit de had was geslagen. Een getuige beweerde dat Land zo dronken was dat hij het pegelboek buiten de schuur had laten liggen. De verdediger meende aan de hand van getuigen te mogen vaststellen dat de pachter, de bedienden of cherchers (douanier), zo dronken waren dat ze hun taak niet naar behoren konden uitvoeren. Zulke mensen dienen zich, overeenkomstig hun beroep te gedragen.
Tijdens zijn vijf maanden durende detentie heeft de huisvrouw van Roelof Harts uit 'chagrijn over de misdaad' het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld, zo staat in het betoog van de verdediger. Roelof Harts moet een gebroken man zijn geweest. Het Hof van Friesland deed op 16 december 1779 uitspraak en sprak hem vrij. Hij herkreeg de vrijheid. Groenhof werd door het Hof gewezen op een mogelijke meinedige verklaring, maar hij bleef bij "zijn" verhaal. (De vrouw van Roelof, Sibbeltje Hendriks overleed 23 april 1779 bij de geboorte van hun zoontje Sibbele, dat 16 dagen later ook overleed)
Bron: Kerfstokjes van onze Voorouders, door H. Hietkamp.