Designed by:

De Overval in 1944
zondag, 28 december 2008 15:02
Inhoudsopgave
De Overval in 1944
Hoorspel
Alle pagina's

De Overval op 8 december 1944

Op 8 december 1944 werd door de KP een overval gepleegd op de gevangenis “De Blokhuispoort” te Leeuwarden.

De aanleiding voor deze overval was de arrestatie van enkele vooraanstaande verzetsmensen en het mislukte plan om de

politie-inspecteur Bakker tijdens zijn transport te bevrijden. Al eerder had Piet Kramer een plan ontworpen voor een overval op de

Blokhuispoort, voor het geval dat dat nodig was. Dit plan werd nauwgezet uitgevoerd en het doel om 51 verzetsmensen te bevrijden

slaagde zonder geweld te gebruiken.

Men moest keuzes maken, omdat het onmogelijk was om voor alle gevangenen een onderduikadres te regelen.

In 1962 is de film “De Overval”, gebasseerd op de overval op de Blokhuispoort, uitgebracht. In 2002 is deze film gerestaureerd.en op

20 december 2003 werd de film op dvd gepresenteerd. In het verzetsmuseum te Leeuwarden werden toen de eerste 2 exemplaren

van de dvd overhandigd aan Goffe Hoogsteen en Jelle Visser.

Goffe was één van de KP’s, die deze overval, ook wel “Kraak” genoemd, pleegden. In de oorlog had hij de verzetsnaam Theo.

 

Goffe Hoogsteen werd op 2 januari 1920 in Surhuizum geboren en overleed op 17 september 2011 in Surhuisterveen.

Bronnen:

Friesch Dagblad 9 december 2004

De Blokhuispoort

 

Op 27 december 2008 stond in de Leeuwarder Courant in de bijlage Sneon & Snein (pag.5) het onderstaande artikel over Goffe Hoogsteen.

 

Eigen meester, niemands knecht


Image

Een van de grootste Nederlandse verzetsdaden in de Tweede Wereldoorlog was de overval op de Blokhuispoort in Leeuwarden, op

8 december 1944. Goffe Hoogsteen uit Surhuizum (88), toen de schuilnaam Theo dragend, is de laatste van de 25 direct

betrokken verzetslieden, die nog in leven is. “Ik soe it wer dwaan”.

 

Anne Roel van der Meer

 

Hij is niet meer de jongeling van 24 die ‘der ôfgryslik tsjin oan seach’, maar toch in 1944 zelfverzekerd deelnam aan de overval op de

Leeuwarder gevangenis. Mocht de situatie er evenwel om schreeuwen en hij zou het fysiek nog aankunnen, dan zou Hoogsteen zich

nu opnieuw melden.

Zie hem niet als held. “Helje my net omheech.” Hoogsteen deed wat zijn gevoel hem ingaf. Het was hem met de paplepel ingegoten.

Zijn vader, timmerman en aannemer, was een echte verzetsman. In het ouderlijk huis vonden Joodse onderduikers regel-

matig onderdak. “Ik holp ús heit wolris. ‘As ik pakt wurd, dan moatst dû trochgean’, sei er”.

Op 10 mei 1940, de dag dat de Duitsers binnenvielen, was Hoogsteen soldaat in Westerbork. Hij vond het prachtig. “As meester

op skoalle fertelde fan de Tachtichjierrige Oarloch of we songen ‘Eigen meester en niemands knecht’, siet ik yn ‘e bank te triljen.

Sa moai fûn ik it. Ik hie alles foar it lân en it Oranjehûs oer. Ik waerd earst ôfkeurd foar de tsjinstplicht. Mar by de herkeuring

sei de arts: ‘U hebt longen als een paard en bent zo gezond als een vis.” Om drie uur ’s nachts riep de commandant. ‘Jongens, d’r uit.

Het is oorlog’. Het dreigende geluid van brommende Duitse vliegtuigen bevestigde dat. “Letter yn ‘e oarloch stiene we te dûnsjen as

der fleantugen oerkamen. Dat betsjutte dat de Ingelsen op wei wiene nei Dútslân. Ast dêr no wer oer neitinkst, dan is dat ferskrikkelijk.

Mar de Dútsers hiene it ús foardien fansels. Rotterdam wie smots.”

 

Lachertje


Het duurde niet lang of de eerste Duitse soldaten doemden op. “Ik seach se oankommen. It hat my ‘woedend’ makke.” Langdurig

vechten zat er niet in. Het zou een oneerlijke strijd zijn geweest. “Mar wat koene wy”, zegt Hoogsteen. “Us bewapening wie in

lachertje”. In vijf legerauto’s, met Hoogsteen als een van de chauffeurs, reden de mannen dwars over de heide en het land

richting Sneek. “De kûgels fleine ús om de earen. Ien skeat ûnder myn kessen troch.”

Van Sneek ging het naar de haven van Makkum. “Doe koene we net fierder. Ik ha de moter oanset, in stien op it gaspedaal dien

en de auto de see ynrieden. De moffen mochten ‘m net ha”. In vissersbootjes gingen ze naar de andere kant van het IJsselmeer.

“Nei trije dagen yn Volendam sei de luitenant dat alles beset wie. De jonges stiene te gûlen.”

Er bleek dat er op twee plekken toch nog werd gevochten: in Zeeland en bij Den Helder. “Dan geane wy nei Den Helder”, seine

wy tsjin mekoar. Mar doe’t we dêr oankamen, wie it dêr krekt bombardeard. We wiene te let. ‘Jullie mogen wel helpen opruimen’,

waard der sein. Mar dêr hie ik gjin sin oan.”

Hoogsteen vertrok naar Haarlem, waar hij eerder in de Ripperdakazerne een deel van zijn dienstplichttijd had doorgebracht.

“Ik hie dêrtroch kunde krigen oan in inspekteur fan de ‘Raad van de Arbeid’. Hy hie in gesin mei tolve bern, mar der koene noch wol in

pear fan ús by. ‘Ik dacht, dat jullie dood waren’, sei de inspekteur. Ik ha oardel dei achterelkoar sliept.”

Na een paar dagen belandde Hoogsteen onder Duits toezicht in een oude kazerne in Haarlem en later een paar maanden in

Groningen. Hij moest zich melden voor de Arbeitseinsatz. ‘Dat ferpof ik’, tocht ik doe. Ik kom net yn Dútslân.

Hij op de fiets, samen met een maat. Op weg naar huis. “Wy binne oan Súdhorn takaam. Doe kaam ús in auto achterop.”

Het bleek scheepsbouwer Barkmeijer uit Stroobos. Hoogsteen en collega mochten instappen.

 

Knokploeg

Eenmaal thuis vormde Hoogsteen al snel een knokploeg (KP) met vier anderen uit de buurt. Zij sloten zich aan bij tien anderen op

een boerderij in Legauke, een streek ten zuiden van Opeinde. “We sieten dêr ferskûle, net in Dútser koe der komme.”

Vanuit Leeuwarden kwam echter het verzoek tot versterking van de plaatselijke KP. “Der wiene yn Ljouwert in pear by weirekke”,

zegt Hoogsteen. Hij en vier anderen vertrokken naar de hoofdstad. “Wy wiene noch mar krekt fuort of Legauke waard oerfallen.

Der wie ferried west. Twa soannen fan de boer kamen om en der binne ek noch twa Dútsers dearekke.”

Hoogsteen belandde in de gevangenis. Vijftig dagen, ‘de langste fan myn libben’, bracht hij erdoor. “Ik rûn mei myn ‘Zuske’ (

Antje Baukje Riedstra, de vrouw met wie hij op 23 maart 60 jaar getrouwd is) op strjitte om in strik te keapjen foar ús heit.

Hy wie has jierdei. “Stehen bleiben”, wie it. Wy rûnen gewoan troch. Mar fierderop stie noch ien. ‘Zurück’, sei er. Wy sieten yn’e fûke.”

Dankzij Zus, die de KP-kameraden op de hoogte stelde, had Hoogsteen al contact met buiten toen hij nog maar een uur in zijn cel zat.

Op aanraden van dokter Wiarda meldde hij zich ziek. Hoogsteen mocht naar de ziekenzaal. Zo kon Zus hem elke dag zien. Ze kwam

vaak langs. Hoogsteen had haar leren kennen in Surhuizum: ze was de ‘oomzegger’ van dorpsbakker Wouda en woonde in Huizum. Zus

bracht eten mee en tabak “yn in tandpastadoaske fan Prodent”.

Van de elf ‘zieken’ kwamen er dankzij Wiarda tien vrij, onder wie Hoogsteen en een Joodse jongen. Hoogsteen ging in het bezit van

een door de Duitsers verstrekte ‘Ausweis’ naar het ouderlijk huis van zijn Zuske. “Ik stapte yn de gong en kletste foaroer, sa wurch wie ik.

Doe’t ik myn Ausweis beseach, die bliken, dat der in ferkearde datum en gjin hântekening op stie. It ding wie waardeleas. Zus hat

persoanlik nei Albrecht (de beruchte SD-chef in Leeuwarden, red.) ta west om dat te feroarjen. It ha de minste oeren fan myn libben west.

Wat wie ik bliid dat ik har werom seach, it is in wyfke út hûnderttûzen.”

 

Overval

Voor de overval op de Blokhuispoort werd Hoogsteen gewoon gevraagd. Weigeren was geen optie. “Dat hie ik ek net wold.”Hij was zenuwachtig. “We rûnen der hinne en ik tocht: soene we hjir werom komme? Yn Amsterdam wie in eardere oerfal mislearre.” Ieder van de 25 mannen die de gevangenis binnengingen, had zijn taak.

Hoogsteen: “Ik hie in plak flakby de doar. Ik sjoch noch de gefangenen de treppen delkommen. Wat wiene se bliid doe’t se ús seagen, se straalden. Dat gie my dwers troch alles hinne. Ik bin achterôf hiel tankber dat ik meidwaan mocht.”

Hoogsteen – zes kinderen, achttien kleinkinderen, twee achterkleinkinderen – zette zich na de oorlog op vele vlakken in voor de samenleving. Zo zat hij zestien jaar lang in de gemeenteraad van Achtkarspelen. Eerst voor de ARP, later voor het CDA. Vele jaren geleden kreeg hij al een lintje. “Hy wie noait in jûn thús," zegt  Zus Hoogsteen.

Toen de film ‘De Overval’ in 1962 werd vertoond, kregen Hoogsteen en zijn makkers een uitnodiging langs te komen op paleis Soestdijk. Ze praatten met Bernhard, met Juliana en Beatrix. Zo’n twintig jaar geleden was Beatrix aanwezig bij een herdenking in Leeuwarden. “Myn dei wie goed doe’t se Zuske in hân joech en ik dat moai op de foto pikke koe.”

Hij is een positief mens, altijd geweest. “As ik moarns wekker wurd, kin ik daliks wol sjonge. Ik ha altyd in bibeltekst yn’e holle hân: ‘Al vallen er duizend aan uw zijde, en tienduizend aan uw rechterhand, tot u zal het niet genaken’. Al hie ik noait tocht dat ik sa âld wurde soe."

 

De Overval

Op 8 december 1944 slaagden 25 verzetslieden onder leiding van knokploeg-voorman Piet Oberman erin met een ingenieus plan en zonder een schot te lossen binnen te dringen in de Blokhuispoort, de gevangenis in Leeuwarden. Zij hadden een lijst met 39 namen van mensen voor wie acuut gevaar dreigde. Uiteindelijk werden 51 van de in totaal ruim 200 gevangenen bevrijd. ‘De kraak’, waarvan in 1962 op basis van een door historicus en journalist Lou de Jong (1914-2005) geschreven scenario de film De Overval werd gemaakt, duurde precies drie kwartier. De bevrijde gevangenen werden, eenmaal buiten, zo snel mogelijk door andere verzetsmensen naar onderduikadressen gebracht. Represailles zijn door de Duitse bezetter opvallend genoeg nooit genomen.

 



 
Jitske Dankert, Powered by Joomla! and designed by SiteGround Joomla Templates